THITUS.NL

kritische en soms creatieve gedachtes over religie en levenshouding

water

Geschiedenis van de hel:

Binnen het Christelijke geloof speelt de hel een belangrijke rol. Hieronder ziet u een historisch overzicht van de totstandkoming van dat beeld. Het is een samenvatting van teksten geschreven door een zekere "Frodo" op het (voormalige) Crosspoint discussieplatform.


Het begin

In den beginne schiep god de hemel en de aarde. Zo begint de bijbel. Er staat niets vermeld over de hel. Je moet zelfs flink doorbladeren voordat je de eerste verwijzing naar de hel, of een hiernamaals met een andere naam, tegenkomt. Wanneer je dichter bij het einde van de bijbel komt, merk je dat de meningen over de hel steeds veranderen. Wat de hel is en hoe de hel er uitziet evolueert met de tijd. In deze kleine serie geef ik een kort overzicht van de diverse ideeën over de hel.

Het is zinvol om bij het begin te beginnen. Het woord ‘hel’ komt als eerste voor bij de Germanen. Dat wil niet zeggen dat zij als eersten vastomlijnde meningen over het hiernamaals hadden, maar zij hebben als eersten de naam bedacht. Het woord hel houdt verband met helen, wat verbergen betekent. De hel was als het ware een schuilplaats waar de doden werden verborgen.In de begintijd kwamen ALLE doden in de hel terecht, ongeacht of je goed of zondig, man of vrouw, krijger of slaaf was.

In het destijds heersende wereldbeeld was de plaats van de hel duidelijk omschreven. De aarde was plat, zodat je het heelal in twee delen kon opsplitsen: boven de aarde en onder de aarde. Boven de aarde bevond zich de hemel, het domein van een mannelijke god. Dus de hel bevond zich onder de aarde, en was het domein van een vrouwelijke godin. Deze godin had dezelfde naam als de plaats waarover zij heerste: Hel. Makkelijk te onthouden, lijkt mij.

Omdat alle doden in de hel terechtkwamen was de hel nog geen gruwelijke martelkamer. Weliswaar wordt de hel als naargeestig omschreven, koud en donker, maar dit had meer te maken met het ontbreken van de mooie kanten van het wereldse. Hel, de godin dus, was ook helemaal geen gemene vrouw ofzo, geen kwade tegenhanger van de hemelgod. De hel was een beschermplaats voor de doden, alle doden, en hoewel saai kan die bescherming toch positief worden opgevat.

Verder bestond er nog niets: geen onderscheid tussen goede en slechte mensen, geen tijdelijke en definitieve verblijven, geen opstanding, geen laatste oordeel, geen nieuwe wereld, geen nieuwe hemel, geen rokende zwavel, geen geween of tandengeknars, geen eeuwig vuur. Niets van dat alles. De hel was het schimmenrijk waarmee het eindigde.


De deling

De idee over de ongedeelde hel voor alle mensen veranderde al in de Germaanse tijd. Er ontstond een speciaal hiernamaals voor mannelijke krijgers en helden: het Walhalla. Een soort paradijs, maar dan geen tuin (want in het Germaanse klimaat is een tuin te koud). Het Walhalla is een paradijselijke zaal. Dit had tot gevolg dat de Hel vanaf dat moment nog slechts bevolkt werd door vrouwen en onheldhaftigen.

Het vooruitzicht op een paradijselijk hiernamaals voor krijgers is beslist niet uniek voor de Germanen. Ook in andere culturen komen soortgelijke zaken voor, en dan niet alleen in de ons bekende oude wereld (Egypte, Griekenland, Romeinen) maar ook onder bijvoorbeeld de Azteken in Midden-Amerika: gewone doden gingen naar de onderwereld, krijgers gingen naar de zon. Heden ten dage bestaat dit onderscheid nog in de islam: Indien men als krijger sterft voor de islam komt men zeker in de moslimhemel.

De reden van dit onderscheid laat zich gemakkelijk raden. Wanneer een koning of andersoortige heerser weer eens zo nodig een oorlog moet voeren, staan niet veel mensen te popelen om als slachtvee te fungeren. Veel liever blijft men bij vrouw en kinderen en het rustige leventje in de vertrouwde omgeving. Het vooruitzicht op een paradijselijk oord moest meer mannen over de streep trekken.

Met deze eerste stap is definitief de ontwikkeling van de hel in gang gezet. Aangezien het in de praktijk bleek dat het mooie vooruitzicht een succes was, begrepen allerlei leiders dat ditzelfde principe ook in andere gevallen viel toe te passen. Langzamerhand kregen ook vrome en goede mensen toegang tot het paradijselijke hiernamaals. De specifieke krijgerhemel en het dodenrijk veranderden in een ethische splitsing tussen goeden en slechten.

Daar waar er steeds meer goede mensen naar de hemel mochten, bleven in de hel slechts de nietswaardigen over. Als vanzelf veranderde het imago van de hel met deze ontwikkeling mee. Deze ontwikkeling is niet specifiek Germaans; zij komt in vele culturen voor en mag zelfs universeel genoemd worden. Ook in het jodendom komt een veranderende hel voor.


Het joodse dodenrijk

In de bijbelse scheppingsverhalen wordt niet gesproken over een geschapen hel. Onduidelijk blijft of god al in het begin de hel maakte of dat hij pas later op dat idee kwam. In ieder geval kenden de Joden, net als de Germanen, eerst een stil dodenrijk waar alle doden naar toe gingen. De Joden noemden hun dodenrijk de ‘sjeool’ (in het Grieks vertaald als ‘Het Hades’). verschil met de Germaanse hel was dat de sjeool geen godin als heerseres had; voor het overige komen beide dodenrijken sterk met elkaar overeen. De sjeool lag bijvoorbeeld ook onder de aarde: de schimmen van het dodenrijk bevinden zich onder de wateren (Job 26).

Deze ongedeelde sjeool bleef lang intact. Daar waar in omringende culturen al een tweedeling in het dodenrijk was ingetreden bleven de Joden lang vasthouden aan één sjeool waar alle mensen naar toe gingen. In Spreuken 2 staat dat niet één persoon die naar het dodenrijk gaat terug zal keren (dat is tevens een interessante tekst in relatie met de traditionele opstandingleer over Jezus). In psalm 6 kunnen we lezen dat de doden in het dodenrijk god niet meer kunnen loven. Prediker stelt zelfs dat mens en dier in de dood gelijk zijn, “waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren”. In een later hoofdstuk schrijft hij dat een zelfde lot de rechtvaardige en de goddeloze treft, dat de doden geen loon meer te wachten hebben, en dat er geen kennis of wijsheid in het dodenrijk bestaat.

De ongedeelde sjeool is nog intact tijdens Prediker, ongeveer 250 v.C. Een eeuw later, in het boek Daniel, is de sjeool voor het eerst geen ongedeeld en onveranderlijk dodenrijk meer. De opstanding doet voor het eerst haar intrede: vele doden zullen ontwaken, sommige tot eeuwig leven, anderen tot versmading. Ook in andere jonge oudtestamentische geschriften vinden we aanwijzingen in de richting van een tweedeling. De enige verwijzing naar een opstanding in eerdere bijbelboeken vinden we in de apocalyps van Jesaja, welke door een latere redacteur is toegevoegd en eveneens uit de tweede eeuw voor Christus stamt.

De hemel is bij de Joden in eerste instantie voor de martelaren bedoeld. Het woord martelaar had destijds een andere betekenis dan het woord nu heeft. De marteldood sterven is als betekenis pas in de tweede eeuw na Christus in gebruik gekomen. De martelaren uit vroegere perioden waren krijgers, en daarmee komen we op de veel voorkomende militaire tweedeling in het dodenrijk, welke dus ook bij de Joden voorkwam. In het boek Henoch, ook uit die tijd, is het zelfs zo dat de opstanding alleen voor de martelaren (= krijgers) plaatsvindt. Wellicht tekent deze visie de overgang van onveranderlijk dodenrijk naar een tweedeling met opstanding.


Invloeden van "buitenaf"

De veranderingen in de sjeool zijn natuurlijk niet uit de lucht komen vallen. Zoals al eerder opgemerkt hadden diverse andere culturen al eerder een scheiding in het hiernamaals gemaakt. De Joden kwamen, zoals we allemaal weten, in contact met die culturen. Een aantal ontwikkelingen zijn hierbij van groot belang. Allereerst de invloed van machtige culturen, zoals de Griekse en de Syrische cultuur. Daarnaast hebben de oorlogen van de Makkabeeën een grote rol gespeeld. Het één heeft overigens met het ander te maken.

Allereerst heeft het Joodse volk te maken gehad met de Babylonische ballingschap en overheersing. Daarna volgden overheersingen van Ptolemeeën en Seleuciden. De hellenisering onder invloed van Alexander de Grote liet ook Palestina niet onberoerd. Dit betekende steeds dat het Joodse volk in aanraking kwam met andere culturen en dus ook met andere zienswijzen, óók over het hiernamaals. De Perzische meningen over het lot van de mens na de dood werden min of meer geformuleerd door Zarathustra en beschreven in de ‘Gatha’ (ongeveer 600 v.C.).

Volgens deze godsdienst blijft de menselijke ziel drie dagen bij het dode lichaam, waarna de zielen naar de Cinvat-brug gaan waar de goede en slechte daden van de mens worden gewogen. Als de balans uitslag naar het goede ging de ziel naar het paradijs; zo niet, dan stortte de ziel in de hel onder de brug om gepijnigd te worden tot aan de opstanding. Uiteindelijk worden alle zielen herenigd met hun lichaam, en worden allen gereinigd door vuur. Iedereen leeft dan eeuwig in een volmaakte wereld. Met deze gedachtegang kwamen de Joden gedurende meer dan twee eeuwen in aanraking. Het is dus niet verwonderlijk dat de invloed van een tweedeling (in paradijs en hel) uiteindelijk ook wortelt in het joodse geloof. (Overigens wordt de oude Perzische godsdienst nog steeds beleden door groepen mensen in India)

Ook de Griekse visie op het hiernamaals heeft het jodendom beïnvloed. Ook hier vinden we een tweedeling in het dodenrijk, en ook hier zijn het eerst de krijgers die promotie maken. Denk bijvoorbeeld aan de Eilanden der Zaligen vs de Hades. De Griekse veldheer en redenaar Pericles (vijfde eeuw v.C.) meende dat iedereen die voor zijn vaderland sneuvelde, onsterfelijk wordt als de goden. Ook in de Griekse mysteriegodsdiensten, bij Plato en bij de stoïcijnen heerst het geloof in een leven na de dood.


Invloed van de Makkabeeën

De invloeden van buitenaf vielen natuurlijk niet bij iedereen goed. Zeker niet wanneer het gepaard ging met heiligschennis. Koning Antiochus IV betrad zelf de tempel, verbood alle offers, verbood de besnijdenis, verbood het onderhouden van de sabbat en gebood in de tempel voortaan Zeus Olympios te vereren. Dit was de aanleiding tot de Makkabeese oorlogen, waarin de tempel werd bevrijd. De felheid waarmee de Makkabeeën volhardden (ondanks aanzienlijke verliezen) was de mening dat gesneuvelde krijgers in de hemel terecht zouden komen. De verbetenheid waarmee de Joden vechten is uiteindelijk voor Tacitus reden om te schrijven dat het verband tussen een leven in het hiernamaals en oorlogsvoering typerend voor joden is.

Door de overwinning van de Makkabeeën verspreidt hun mening over een gedeelde sjeool als een olievlek over Palestina. In de sjeool wordt vanaf die tijd een plezierige ruimte ingericht waarin de rechtvaardigen wachten op de opstanding. Daarnaast is er een ruimte waarin de goddelozen wachten op de straf bij het laatste oordeel. Hiermee is de sjeool tevens veranderd van een eeuwig dodenrijk tot een voorlopig verblijf waarin men wacht op wat er komen gaat.

Overigens is het niet zo dat iedereen meegaat met de nieuwe ontwikkelingen. Zoals in elke tijd en elke cultuur had ook Palestina zijn kleine groepering die vasthield aan de oude meningen over het dodenrijk. De Sadduceeën, de partij van de elite, houdt vast aan de oorspronkelijke sjeool, het eeuwige dodenrijk voor iedereen. Ik twijfel er niet aan of “zo staat het in de geschriften” zal als een belangrijk argument zijn gebruikt.

Jezus sloot zich aan bij een andere groepering, de Farizeeën. De Farizeeën geloofden in de opstanding en Jezus was het daarmee eens, zoals we mogen nalezen in Lucas 16, waarin Jezus spreekt over een onoverkomelijke kloof die de twee afdelingen van het hiernamaals scheidt. Hier zien we ook een andere invloed uit Griekenland, namelijk dat de zielen van rechtvaardigen niet meer voorlopig in het dodenrijk moesten verblijven maar direct naar de hemel gaan. Deze mening vinden we ook bij de Essenen, een andere groepering ten tijde van Jezus, waartoe waarschijnlijk Johannes de Doper ook behoorde.

Door de mening dat rechtvaardigen ook direct naar de hemel kunnen gaan verandert de dodenwereld wederom. Begonnen als plaats waar alle doden terechtkwamen, via een tijdelijke wachtruimte met twee compartimenten, ontwikkelde de sjeool zich tot de plek waarin alleen de goddelozen en de nietswaardigen terechtkomen. Deze ontwikkeling is niet alleen zichtbaar in het christendom maar ook in het jodendom.

De Joodse rabbi Jochanan ben Zakkai (eerste eeuw n.C.) meent dat de zielen van goede mensen na hun dood direct naar de Hof van Eden gaan. Men komt dus niet meer eerst tijdelijk in de sjeool (weliswaar het aangename compartiment, maar toch), maar gaat direct naar de hemel waar men wacht op de opstanding.

Aangezien de sjeool nog steeds gezien wordt als een tijdelijke verblijfplaats, waar nu dus alleen de zielen van de slechte mensen naar toe gaan, verliest de sjeool aan betekenis. De aandacht verplaatst zich naar de plaats waar men uiteindelijk terecht zal komen. Aan het eind van de tweede eeuw voor Christus verschijnt een nieuw pijnigingoord dat, in tegenstelling tot de sjeool, nooit een verblijfplaats van goede mensen is geweest: het dal Gehinnom.


De Christelijke hel

In het nieuwe testament staan sjeool en Gehinnom nog naast elkaar. De eigenlijke hel, dwz de plaats die ná het laatste oordeel de plek van bestraffing voor de slechten wordt, is het Gehinnom. In het Grieks wordt die plaats Gehenna genoemd. De sjeool is nog slechts de tijdelijke wachtkamer voor (vooral) slechten en de mensen die weliswaar goed worden genoemd maar niet rechtvaardig (de zogenaamde middelmatigen). De rechtvaardigen gaan direct naar de hemel.

Vanaf het eind van de eerste eeuw n.C. is in het jodendom Gehinnom de plaats geworden waar zowel de voorlopige als definitieve bestraffing van de slechten plaatsvindt. De sjeool speelt geen rol van betekenis meer, en is dus als het ware opgeheven. De opkomst van Gehinnom heeft ook te maken met de betekenis die dat dal had. Het was een dal ten zuiden van Jeruzalem, dat ook wel eens ‘vuurdal’ werd genoemd, vanwege de kinderoffers die daar in het vuur zijn gegooid. In 2Koningen 16 en 21 valt hierover het een en ander na te lezen.

We hebben nu gezien hoe Gehinnom de eigenlijke hel is. Aangezien het nieuwe testament in het Grieks is geschreven heeft de hel de naam Gehenna gekregen. Eerst tijdens de kerstening van de Germanen verliest de naam Gehenna terrein en wordt de naam van de Germaanse onderwereld overgenomen: hel. De hel is de plaats waar de straf van de goddelozen ten uitvoer wordt gebracht. De voornaamste straffen zijn vuur en duisternis.

Vuur en duisternis passen niet bij elkaar: vuur is per definitie nooit duister. Dat de hel deze twee zaken toch verenigt, heeft te maken met de geschiedenis van de hel. In de oorspronkelijke sjeool was het duister. Het dal Gehinnom daarentegen was een plaats met vuur. Men heeft uit beide plaatsen de straffen overgenomen en samengevoegd. Het vuur als straf komen we ook tegen in andere culturen, bijvoorbeeld in Perzische en Griekse (bijvoorbeeld bij de stoïcijnen) zienswijzen.

Aan het vuur werd overigens wel een reinigende werking toegeschreven. In de Perzische godsdienst werden alle mensen, zowel de goeden als de slechten uiteindelijk gereinigd door het vuur. Ook de aarde zelf werd gereinigd door het vuur zodat er ook een volmaakte aarde ontstond. Ook in het jodendom bestond deze opvatting over het verzoenende effect van vuur. In de eerste eeuw n.C. heerste er in het jodendom een discussie of de middelmatigen door het vuur van het laatste oordeel gereinigd zouden worden en naar de hemel zouden gaan.

In de tweede eeuw ontstond de mening dat er ook al in de voorlopige hel een reinigend vuur was. Na een bepaalde tijd werden hierdoor de schulden opgeheven. Maar niet iedereen wordt gereinigd. Door de eeuwen heen is er een lijstje gemaakt van personen die niet in de hemel terechtkomen. De invloedrijke rabbi Akiba, die de canon van het oude testament feitelijk heeft vastgesteld, meende dat mensen die niet-canonieke boeken lazen, mensen die de opstanding loochenen, ketters en vrijdenkers niet naar de hemel gingen.

Evenzo bestonden er lijstjes met mensen die niet in het Gehinnom terechtkomen maar linea recta naar de hemel, namelijk mensen die lijden onder buikkwalen, schuldeisers, drukkende armoede en (voor de vrolijke noot wellicht) een boosaardige echtgenote. De gedachte is dat die mensen hun hel al op aarde hebben gehad. De lijstjes wie beslist niet en wie beslist wel in de hemel of juist in de hel terechtkomen veranderen met de loop der tijd.

In de eerste drie eeuwen van onze jaartelling bestonden er heel wat verschillende religieuze groeperingen die allemaal eigen lijstjes hadden. Dit betekende natuurlijk een wirwar die geheel onoverzichtelijk werd. De roep om duidelijkheid werd groter. Rabbi Abbahu zei omstreeks 300 n.C. weliswaar dat de opstandig voorbehouden bleef tot de rechtvaardigen, maar volgers van andere rabbi’s zoals Hillel en Sjammai hadden andere meningen.


Jezus en de hel

Behalve in het jodendom was er in het christendom ook lange tijd onduidelijk hoe het nou zat. Om een beslissing te forceren hebben nieuwtestamentische redacteuren Jezus gebruikt, die het laatste woord zou hebben over de hel. Daartoe is vooral de oorspronkelijke tekst van het evangelie volgens Matteüs op een flink aantal plaatsen redactioneel bewerkt. In het standaardwerk ‘Geschichte der synoptischen Tradition’ toont de theoloog Bultmann aan dat de uitspraken over de hel (o.a. het geween en het tandengeknars) toevoegingen zijn van redacteuren, en niet van Jezus afkomstig waren. Een andere theoloog, Baudler, komt tot precies dezelfde conclusie.

Men heeft dus pogingen gedaan om Jezus op te laten treden als hellepreker, maar niets is minder waar. Jezus verwijst vaak naar de wet en profeten, maar slaat bijna systematisch teksten over dreiging en straf over. Voorbeelden te over in het nieuwe testament: In Lucas 4 wordt geschreven over een lezing van Jezus uit het boek Jesaja. Hij stopte bij de woorden “om te verkondigen het aangename jaar des Heren”. Daarna deed hij het boek dicht, ging zitten en begon met de preek. Dit betekende dat hij midden in een zin Jesaja afkapte. De zin loopt namelijk nog door met “en een dag der wrake van onze God”. Door de zin in het midden af te kappen geeft Jezus aan met welke boodschap hij kwam: hij was geen hellepreker maar de brenger van een hoopvolle boodschap.

Dit is beslist niet de enige plek waar Jezus de wraak en straf in de eindtijd weglaat. Wie kent bijvoorbeeld niet de bekende woorden die Jezus sprak toen Johannes de Doper naar hem vroeg: “Blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden opgewekt en armen ontvangen de blijde boodschap.” Terug te vinden in Matteüs 11 en Lucas 7. Het antwoord van Jezus is niet zomaar een antwoord. Jezus kende de wet en de profeten, en citeert hier drie uitspraken van Jesaja.

De citaten zijn afkomstig uit Jesaja 29, 35 en 61. Echter, alle drie citaten worden in Jesaja direct gevolgd door een zin over wraak en vergelding. Hij citeert dus wel de hoopgevende verzen, maar laat de bijbehorende verzen over wraak achterwege. Op die manier zegt Jezus niet dat allen die op boosheid uit zijn uitgeroeid zullen worden. Ook zegt hij niet dat god zal komen met wraak en de vergelding gods. En wederom laat Jezus de toevoeging “en een dag der wrake van onze god” weg. Deze voorbeelden laten zien dat Jezus allesbehalve een hellepreker was.


Ontwikkeling binnen de Christelijke kerk

Ondanks het feit dat Jezus geen hellepreker was, heeft het christendom gezorgd voor een ongekende bloei van de hel. Eeuwenlang heeft de kerk de nadruk gelegd op een god die dol is op barbecuen en die met een bijna satanisch genoegen talrijke mensen na hun dood promoveerde tot brandstof voor de hel.

De kennis over de hel werd steeds groter. Origenes, de grootste bijbelgeleerde uit de oudheid (derde eeuw n.C.), wist bijvoorbeeld dat de straf van slechte mensen slechts tijdelijk is en dat er na verloop van tijd een volledig herstel (apokatastasis) plaatsvindt. Drie eeuwen later, in de zesde eeuw dus, werd Origenes door de synode van Constantinopel vervloekt omdat men inmiddels weer wat meer kennis van de hel had, en nu zeker wist dat de straf wel eeuwig is. De vele theologen die het met Origenes eens waren werden mee veroordeeld. Van dik hout, zullen we maar zeggen.

Behalve de eeuwigheid van de straffen kwam men ook te weten wanneer die eeuwige straffen ingingen: zo snel mogelijk. Benedictus XII bepaalde in de veertiende eeuw dat god de zielen van de zware zondigen onmiddellijk na de dood naar de hel stuurde om daar gepijnigd te worden door helse (allicht!) kwellingen. In de vijftiende eeuw was men te weten gekomen dat alleen katholieken in de hemel kwamen. En even voor de goede orde: het protestantisme bestond toen nog niet en dus was katholiek in die tijd in de westerse wereld synoniem aan christen.

Een andere wetenswaardigheid over de hel kwam in de vijfde eeuw aan het licht door toedoen van Augustinus. Het was kennelijk bekend geworden dat het grootste deel van de mensen niet in de hemel terecht zou komen, maar naar de hel zou gaan. Zo zien we dat het oorspronkelijke joodse geloof dat god uiteindelijk vrijwel iedereen zou redden, in het christendom verandert in een god die voornamelijk bezig is mensen te vervloeken.

Augustinus wist nog meer te vertellen over hemel en hel. Zo krijgen ongedoopte kinderen het hellevuur te voelen. Maakt niet uit hoe of wat: ongedoopt is ongedoopt en blijft ongedoopt. En dus wacht de hel. Bisschop Julianus van Eclanum ging tegen het gedachtegoed van Augustinus in en noemde de god van Augustinus een “vervolger van pasgeborenen die kleine zuigelingen in het eeuwige vuur werpt”. Overbodig om te zeggen dat deze bisschop tot ketter werd uitgeroepen.

Dit laatste stukje gaat over de nieuwste inzichten in de hel. Of eigenlijk gezegd: de veranderingen die deze twintigste eeuw in de hel zijn doorgevoerd volgens de mensen die het kunnen weten. We hadden gezien dat men in de vijftiende eeuw te weten was gekomen dat alleen katholieken in de hemel kunnen komen. Inmiddels is men overstag gegaan en kunnen ook mensen die ‘buiten hun schuld’ niet christelijk zijn naar de hemel toe. De mensen die door eigen schuld geen christen zijn gaan nog wel naar de hel. In hoeverre deze groepen in toekomstige eeuwen dispensatie krijgen is natuurlijk koffiedik kijken.

De reeds genoemde veroordeling van ongedoopte zuigelingen tot de hel kreeg ook nog een vervolg. In de achttiende eeuw wist de toonaangevende moraaltheoloog Alfons van Liguori al te melden dat indien er sprake is van een risico op het sterven van een baby tijdens de geboorte (dus vóór de doop), de moeder verplicht is om het opensnijden van haar buik te ondergaan teneinde het kind te dopen. De moeder moet haar mogelijke dood door opensnijding aanvaarden wanneer daardoor het kind vlak voor zijn sterven nog gedoopt kan worden. Zo niet, dan gaan moeder en kind naar de hel. Dit stukje zou toch gaan over deze eeuw? Jazeker, in 1967 heeft de in deze eeuw toonaangevende moraaltheoloog Häring het nog eens dunnetjes overgedaan. Hij onderschreef hetgeen Van Liguori reeds meldde en weet het met de huidige medische kennis te preciseren: wanneer de doop niet gegarandeerd kan worden is de moeder verplicht zich aan dergelijke operaties te onderwerpen: keizersnede, doorsnijden van het bekken, doorsnijden van de schaamvoeg, operaties die, ondanks bepaalde gevaren voor de moeder, moeten worden uitgevoerd. Sneu voor de moeders natuurlijk, maar wel gods uitdrukkelijke wil.

In deze eeuw is ook duidelijk geworden dat het vuur in de hel geen metafoor is voor de pijniging van de hel, maar dat het gaat om echte vlammen die echt pijn doen. De theoloog Schmaus weet dat dit zo is want het hoort al eeuwenlang bij de kerkelijke traditie. Bovendien schijnt het Poenitentarie ooit eens in de negentiende eeuw gezegd te hebben dat mensen die het vagevuur symbolisch opvatten geen absolutie mogen ontvangen. Kort gezegd: als je niet letterlijk in het vagevuur gelooft dan wordt je als straf geworpen in het vuur waar je niet in gelooft. Ik denk zelf dat dat niet echt afschrikwekkend werkt als je er toch niet in gelooft.

Een zeer oude opvatting over de hel is dat die plaats getypeerd kan worden door het ontbreken van god. Zoals wel eens vaker gebeurt met goede ideeën komen ze soms na vele jaren in de officiële leer terecht. Bij de katholieke kerk is de hel nu officieel een plaats waar god niet aanwezig is. Hoe dit verenigd moet worden met de alomtegenwoordige god is natuurlijk nog niet opgelost. Misschien is god weliswaar alomtegenwoordig maar is hij op sommige plaatsen meer alomtegenwoordig dan op andere plaatsen?


Verantwoording

Frodo, de schrijver van dit stuk wordt bedankt voor zijn bijdrage.